Stichting Opleidingsinstituut Juridisch Onderwijs (SOJO)

ERKEND DOOR DE NEDERLANDSE ORDE VAN ADVOCATEN

Actualiteiten Hippisch Recht I

Datum cursus:                                             29 november 2018

Rechtsgebied:                                              Hippisch recht I

Doelgroepen:                                              Advocaat, Academisch geschoold jurist

Tijdstip:                                                       08.30 tot 14.00 uur

Locatie:                                                        Drents Archief Assen (Brink 4)

Docent:                                                        Mr. S.A. Wensing

Cursusduur:                                               5 uur (exclusief pauzes)

Niveau:                                                         ** Verdiepingsniveau

Prijs klassikaal:                                           395,00 euro

PO-punten:                                                  5 Juridisch

 Resultaat na deze cursus:

Na afloop van de cursus heeft u kennis van de actuele ontwikkeling in het hippische privaatrecht en is het inzicht in enkele belangrijke thema's verdiept. U weet veel voorkomende valkuilen waar - niet in hippisch gespecialiseerde - advocaten in terecht komen. Ook weet u hoe u moet omgaan met non-conformiteit vraagstellingen, klaagtermijnen en bewijslast verdelingen.

 

 

 

 

 

 

 

ONDERWERPEN

 

klaagtermijn? Verlies van kopersrechten?

Wanneer beantwoordt de aankoop van een paard niet aan de overeenkomst ?

  1. Non-conformiteit is een ingewikkeld en uitgebreid leerstuk zeker in het geval van aam- en verkoop van paarden. Het leerstuk beslaat de artikelen 7:17 BW tot en met 7:25 BW. Het leerstuk van non-conformiteit beantwoordt de vraag of het geleverde paard aan de overeenkomst beantwoordt, maar het omvat tevens een klachtplicht (zie voorgaande), een onderzoeks- en mededelingsplicht , een bewijslastverdeling en een grote variatie aan mogelijke rechtsgevolgen zoals verschillende manieren van ontbinding, herstel, vervanging en schadevergoeding. Bij de aan- en verkoop van paarden kan ook sprake zijn consumentenkoop, dit maakt het leerstuk van de non-conformiteit nog complexer (bewijslastverdeling).

     

  2. Uit de wetgeschiedenis volgt dat zowel bij de vaststelling van de Europese richtlijn als het daarop gebaseerde artikel 7:18 lid 2 BW de problematiek van de levende dieren is onderkend. In de Nadere Memorie van Antwoord aan de Eerste Kamer heeft de regering geantwoord:

     "Voorts vragen de leden van de CDA-fractie of het niet voor de hand had gelegen om in de wet zelf uitdrukkelijk deze categorie (dieren, rechtbank) consumentenproducten uit te zonderen op grond van de aard van de zaak. Het is, zoals aangegeven, juist dat bij bepaalde planten en dieren de aard daarvan zich tegen toepassing van het bewijsvermoeden kan verzetten. Ik noemde reeds planten waarvan men niet mag verwachten dat deze langer dan een aantal maanden leven en aquariumvissen die slechts bij een zeer nauwgezette verzorging in leven blijven. Men zal per geval moeten beoordelen of de aard daarvan zich al dan niet tegen toepassing van het bewijsvermoeden verzet, evenals dat bij andere consumptiegoederen het geval is. Ik meen dat men niet in het algemeen bij dieren en planten kan stellen dat de aard zich tegen toepassing van het bewijsvermoeden verzet. De richtlijn bevat op dit punt een open formulering omdat zo'n algemene uitzondering zich moeilijk in abstracto laat formuleren.

     

    Een specificering in de nationale uitvoeringswet zal snel in strijd met de richtlijn zijn." (Kamerstukken I 2002-2003, 27 809, 32a, p. 4).

     Tijdens de mondelinge behandeling in de Eerste Kamer heeft de minister verklaard:

     "De discussie richt zich nu op dieren en het is zeker niet mijn bedoeling om daar bagatelliserend over te doen. Ik weet ook dat de betrokken branche zich zorgen maakt op dit punt. Daarom zeg ik voor alle duidelijkheid nog eens, dat Nederland zich van het begin af aan tegen het voorstel op dit punt heeft gekeerd, ook omdat Nederland deze omdraaiing van rechtsvermoedens niet juist vindt. Dat heeft er ook toe geleid dat Nederland zich op dit punt heeft onthouden, maar de consequentie van harmonisatie van wetgeving - dat overigens in de meeste gevallen tot goede wetgeving leidt - is nu eenmaal dat een aantal lidstaten overstemd kan worden. (...) Wel is het zo dat er in de Raad is gesproken over schrapping van het bewijsvermoeden. Dit was op voorstel van Nederland, Duitsland en Denemarken. Dit voorstel heeft het niet gehaald. Tijdens de onderhandelingen heeft Duitsland bepleit om de koop en verkoop van vee van de werkingssfeer van de richtlijn uit te sluiten, maar Duitsland heeft dit punt uiteindelijk laten vallen. Hieruit en uit de afwijzing van het Nederlandse voorstel blijkt ook dat onder ogen is gezien dat de richtlijn ook van toepassing is op de koop en verkoop van dieren en dat dit ook altijd de bedoeling is geweest." (Handelingen I 2002-2003, 27 809, nr. 19, p. 596-597 en 598)

  3. Een richtlijnconforme interpretatie van het bepaalde in artikel 7:18 lid 2 BW brengt mee dat van de verkoper wordt gevergd dat hij in het kader van het tegen het in voornoemd artikellid bedoelde bewijsvermoeden te leveren bewijs, feiten bewijst die het vermoeden dat de zaak niet beantwoordt aan de overeenkomst ontkrachten. Artikel 5 lid 3 van de richtlijn bepaalt: ‘Manifesteert zich een gebrek aan overeenstemming binnen een termijn van zes maanden vanaf de aflevering van de goederen, dan geldt tot bewijs van het tegendeel het vermoeden dat dit gebrek bestond op het tijdstip van aflevering, tenzij dit vermoeden onverenigbaar is met de aard van de goederen of met de aard van het gebrek aan overeenstemming.’. Voor zover dit nog enige ruimte zou laten voor een andere uitleg, wordt deze naar het oordeel van de rechtbank weggenomen door overweging voorafgaand aan de richtlijn die luidt: ‘Overwegende dat het ter vergemakkelijking van de toepassing van het beginsel van overeenstemming met de overeenkomst dienstig is een weerlegbaar vermoeden (onderstreping rechtbank) van overeenstemming met de overeenkomst in te voeren dat de meest voorkomende situaties bestrijkt; (…)’.