Stichting Opleidingsinstituut Juridisch Onderwijs (SOJO)

ERKEND DOOR DE NEDERLANDSE ORDE VAN ADVOCATEN

Actualiteiten Beslag- en executierecht

Datum cursus:                                            19 december 2019

Rechtsgebied:                                             Beslag- en executierecht

Doelgroepen:                                              Advocaat, Academisch geschoold jurist

Tijdstip:                                                       08.30 tot 14.00 uur

Locatie:                                                        MartiniPlaza (Leonard Springerlaan 2)

                                                                       Groningen

Docent:                                                        Mr. C.J. Smit

Cursusduur:                                               5 uur (exclusief pauzes)

Niveau:                                                         ** Verdiepingsniveau

Prijs klassikaal:                                         395,00 euro

PO-punten:                                                 5 Juridisch

 Resultaat na deze cursus:

Na afloop van de cursus heeft u kennis van de actuele ontwikkeling in het beslag- en executierecht en is het inzicht in enkele belangrijke thema's verdiept. U weet veel voorkomende valkuilen waar advocaten in terecht komen. Ook weet u hoe u moet omgaan met conservatoire maatregelen en executiegeschillen.

 

 

 

 

ONDERWERPEN

 

Conservatoire maatregelen; valkuilen?

Executiegeschil; opheffingsgronden?

  1. Bij een vordering tot opheffing van een executoriaal beslag heeft de voorzieningenrechter slechts een beperkte taak. Hij zal slechts in de executie mogen ingrijpen, indien de executant zich door de executie schuldig maakt aan misbruik van bevoegdheid. Van misbruik van executiebevoegdheid kan slechts sprake zijn, indien de te executeren titel klaarblijkelijk berust op een juridische of feitelijke misslag, of indien tenuitvoerlegging op grond van na de titel voorgevallen of aan het licht gekomen feiten klaarblijkelijk aan de zijde van de geëxecuteerde een noodtoestand zal doen ontstaan, waardoor een onverwijlde tenuitvoerlegging niet kan worden aanvaard. Een vexatoir beslag zou tot een dergelijke noodsituatie kunnen leiden. De vraag of het leggen van executoriaal beslag als vexatoir en daarom onrechtmatig moet worden aangemerkt, dient in beginsel te worden beantwoord aan de hand van de concrete omstandigheden ten tijde van de beslaglegging, waaronder de hoogte van de te verhalen vordering, de waarde van de beslagen goederen en de eventueel onevenredig zware wijze waarop de schuldenaar door het beslag op een van die goederen in zijn belangen wordt getroffen.

     

  2. Het ligt op de weg van degene die opheffing van een conservatoir beslag vordert om aannemelijk te maken dat de door de beslaglegger gestelde vordering ondeugdelijk is. Als de vordering van de beslaglegger niet aannemelijk is, dan noopt dit op zich nog niet tot opheffing van het conservatoire beslag. Ook dan nog moet een belangenafweging plaatsvinden (HR 25 november 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT9060).

  3. In de uitspraak van 1 juni 2015 heeft de Rechtbank Rotterdam geoordeeld over de gevorderde opheffing van conservatoir beslag op een onroerende zaak. Blijkens artikel 705 lid 2 van het Wetboek van Rechtsvordering (‘Rv’). dient het beslag te worden opgeheven indien summierlijk van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht blijkt. Hierbij is door de rechtbank aangegeven dat het in de eerste plaats op de weg ligt van degene die opheffing vordert om met inachtneming van de beperkingen van de voorzieningenprocedure aannemelijk te maken dat de door de beslaglegger gepretendeerde vordering ondeugdelijk of onnodig is (vgl. HR 14 juni 1996, NJ 1997/481; HR 17 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1074).

  4. De rechtbank overweegt dat het vaste jurisprudentie van de Hoge Raad is dat het enkele profiteren door een derde van de wanprestatie van een ander niet onrechtmatig is. Bijkomende omstandigheden kunnen het profiteren daarvan echter wel onrechtmatig maken. Tot bijzondere omstandigheden kunnen behoren de vraag of de derde bekend was met het geschonden beding en de omvang van het nadeel dat de benadeelde partij lijdt vanwege de schending van dit beding (vgl. HR 17 mei 1985, NJ 1986, 760 en HR 28 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:74).